Nederland lijkt steeds meer op een bedrijf dat zijn missie kwijt is. Een merk zonder merkbelofte. Een land dat ooit stond voor lef, maakbaarheid en waterwerken die de wereld versteld deden staan. En nu vooral bekendstaat om regels, remmingen en rapporten.
Vraag een willekeurige CEO wat er gebeurt met een bedrijf zonder missie. Het verdwijnt. Vraag een investeerder wat hij doet met een merk zonder visie. Hij loopt weg. Vraag een inwoner wat hij voelt bij een land zonder ziel. Hij voelt niets meer.
Waar staat Nederland eigenlijk nog voor? Wat is onze missie? Onze visie? Onze trots?
We waren ooit het land dat de zee versloeg. Het land dat DAF bouwde, Fokker liet vliegen, Philips groot maakte.
Het land dat na de oorlog zei: “Kom maar op, we bouwen het wel weer op.” Vandaag zeggen we vooral: “Pas op. Niet doen. Eerst onderzoeken. Later beslissen.”
In 2006 liet Al Gore in “An Inconvenient Truth” zien hoe de wereld zou vergaan. Indrukwekkend, ja. Hij schilderde de apocalyps, al vond een rechter later dat zelfs angst marketingclaims kent. Maar het was ook het begin van een tijdperk waarin angst de strategie werd. Waarin we niet meer vooruit durfden, maar vooral achteruit keken.
Waarin we risico’s niet meer managen, maar vermijden. Waarin we vergaten dat vooruitgang niet ontstaat door bang te zijn, maar door te bouwen.
Groningen is daar het pijnlijkste voorbeeld van. Een land dat zijn eigen inwoners laat wachten op rechtvaardigheid, verliest niet alleen vertrouwen, het verliest zijn gezicht. Gooi Groningen open. Betaal mensen ruimhartig. Geef ze keuzevrijheid.
Dat is geen kostenpost, dat is herstel van geloofwaardigheid.
En de boeren? Die moeten weer kunnen boeren. Niet omdat het romantisch is, maar omdat het strategisch is.
Zelfvoorziening is geen nostalgie, het is nationale veiligheid. Vraag elke investeerder. Voorspelbaarheid en productie zijn waardevoller dan import en afhankelijkheid.
En dan onze waterwerken, het laatste stukje nationale trots. De dijken, sluizen en stormvloedkeringen die ons definieerden.
Maar zelfs daar is het onderhoudsbudget te klein, te laat, te weinig. De Rekenkamer zegt het. Deltares zegt het. Rijkswaterstaat zegt het. Maar Den Haag zegt vooral: “We komen erop terug.” Er op terugkomen, ja als het water al over onze schoenen loopt. We zorgen niet meer dat iets gebeurt, maar vragen vooral achteraf verbaasd: wat is er gebeurd?
Te veel focus op nationale veiligheid door dreigingen vanuit het oosten laat ons straks overvallen door die andere sluipmoordenaar: het wassende water. Een land dat zijn fundamenten verwaarloost, verliest zijn investeerders.
Een land dat zijn inwoners bang maakt, verliest zijn toekomst. Maar een land dat durft te dromen, trekt kapitaal aan.
Een land dat visie toont, krijgt vertrouwen terug.
Want angst is geen strategie. Visie wel. Wat als Nederland weer een missie krijgt? Wat als we weer durven bouwen, boeren, beschermen tegen het water? Wat als we niet langer bang zijn voor de toekomst, maar haar vormgeven?
Dan wordt Nederland weer een merk met een ziel. Een land dat staat voor iets. Een land dat investeerders aantrekt omdat het weet waar het heen wil. Een land dat inwoners vertrouwen geeft omdat het niet alleen problemen benoemt, maar oplossingen bouwt. En laten we ervoor zorgen dat onze kleinkinderen niet straks aan het strand van Amersfoort aan Zee staan. Kijk kinderen, daar lag ooit de Lage Landen, het onderwaterland.
Deze column schrijf ik op persoonlijke titel