Ik trof hem aan bij het spoor. Hij had er geen zin meer in. 'We zijn hem kwijt'.
Dat was alles wat ik hoorde. En binnen een minuut stond ik rennend op het Stationsplein, zoekend tussen mensen die gewoon onderweg waren, richting huis, richting werk, of richting diner bij de Hoftrammm.
Een jonge man uit Palestina. Laat ik hem Yousef noemen. Netjes, beleefd, goed Engels. Altijd diezelfde vriendelijke “good morning”. Op dag één vroeg hij al: “Do you have something for me to do?”
Niet om bezig te blijven, maar om overeind te blijven. Want stil zitten betekende kijken. En op zijn telefoon zag hij elke dag beelden van thuis: explosies, paniek, mensen die verdwijnen. Hij wilde werken. Meedoen. Iets nuttigs doen, zodat zijn hoofd even rust kreeg. Iedereen begrijpt wat werk doet: je krijgt je dag weer terug.
Het restaurant naast ons liet hem een dag meelopen. Yousef straalde. De eigenaar ook. Tot de regel op tafel kwam. En die wint altijd: nog niet genoeg maanden in Nederland, dus niet werken.
We zochten iets anders. Vrijwilligerswerk dan. Ritme, een kleine bijdrage. Maar ook dat mocht niet — niet bij een commercieel bedrijf. We moesten hem teleurstellen. En dat voelde alsof je iemand die wankelt vertelt dat hij nog even moet wachten. Yousef gaf alsnog. Hij zaagde takken bij omwonenden. En bij Hofspetters hielp hij als vrijwilliger — hij redde daar zelfs een minderjarige van verdrinking, terwijl hij zelf bijna kopje onder ging. En toch zagen we hem langzaam wegglijden. Eerst bijna ongemerkt. En toen ineens niet meer te missen. Vijftien kilo lichter. Zijn kamer rommelig, zijn blik doffer. Afspraken die hij nooit miste, liet hij ineens lopen. Een collega trof hem langs de snelweg: verdwaald en verward.
We belden de huisarts. We deelden onze zorgen. Volgens de inschatting was er nog geen acute crisis. Later, werd gezegd. Die dag legden we hem op een matras in een vergaderzaaltje. Niet ideaal, maar we zitten vol. En wie lang niet slaapt, raakt zichzelf kwijt. Vlak voordat de crisisdienst kwam, liep hij naar buiten. Toen begon het zoeken. Herenstraat. Stationsplein. Station. Helemaal achteraan, waar niemand meer stond, zag ik hem. Alleen. Stil. Aan de rand van het perron. Starend naar de rails alsof hij daar een antwoord zocht.
Ik trok hem weg en nam hem mee naar binnen. Later zei hij zacht: “I’m tired… I want it to stop.” Hij is een paar dagen geleden opgenomen op een gesloten afdeling. Ze starten voorzichtig met medicatie en kijken stap voor stap hoe het gaat. Wij doen ons werk. Met regels, met menselijkheid, met volle kamers. Soms is het leven sneller dan het systeem. En dan is “op tijd” het enige dat ertoe doet.
Tanja Nikolic is locatie-manager van het AZC op het Stationsplein in Voorburg.